Verdeelmodel BUIG-budget


De macrobudgetten voor de verschillende regelingen (Participatiewet, IOAW, IOAZW en Bbz) worden door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW) jaarlijks afzonderlijk geraamd en vervolgens in één integraal macrobudget opgeteld. In totaal gaat het om ongeveer 6 miljard euro. Het integrale macrobudget wordt over de gemeenten verdeeld. Jaarlijks worden eind september/begin oktober voorafgaand aan het uitkeringsjaar de voorlopige beschikkingen bekend gemaakt. Het voorlopige budget wordt in de loop van het jaar in de nader voorlopige- en definitieve beschikkingen bijgesteld op basis van actuele informatie over de effecten van beleid, conjunctuur en prijs.


De inrichting van de bekostigingssystematiek beoogt de gemeenten financieel te prikkelen om zoveel mogelijk mensen uit de uitkering te houden en aan het werk te helpen. Overschotten op de Buig-budgetten zijn vrij besteedbaar en tekorten moeten gemeenten in beginsel zelf opvangen. Gemeenten met een groot tekort kunnen onder voorwaarden een beroep doen op een vangnetregeling.


Voor de toedeling van de Buig-budgetten gebruikt het ministerie van SZW een objectief verdeelmodel. Vanaf 2015 is dat gebaseerd op het zogenoemde multiniveau-model, dat is ontwikkeld door het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), SEO en Atlas voor Gemeenten. Dit model berekent de objectieve kans dat een huishouden afhankelijk is van een bijstandsuitkering. Die kans is afhankelijk van kenmerken van (i) het desbetreffende huishouden (zoals leeftijd, samenstelling, gezondheid), (ii) de buurt waar dit huishouden woont (overlast en onveiligheid) en (iii) de gemeente (arbeidsmarktkansen). Het objectieve kansmodel is geijkt op basis van het landelijk gemiddelde van de bijstandsafhankelijkheid. De gedachte achter het objectieve kansmodel is dat een gemeente door de inrichting en uitvoering van eigen beleid ervoor kan zorgen dat de werkelijke kansen op bijstandsafhankelijkheid positief of negatief afwijken van het landelijk gemiddelde.


Gemeenten tot 15.000 inwoners ontvangen de Buig-gelden op basis van historische uitkeringslasten. Hun aandeel in het macrobudget in het uitkeringsjaar is gelijk aan hun aandeel in de macro-uitkeringslasten twee jaar daarvoor. Gemeenten boven 40.000 inwoners ontvangen de Buig-gelden volledig op basis van de objectieve verdeling. De Buig-budgetten van gemeenten met 15.000 tot 40.000 inwoners worden deels historisch en deels objectief bepaald. De verhouding is naar rato van het aantal inwoners. Voor een gemeente met 27.500 inwoners is de verhouding 50-50.


Sinds de invoering in 2015 zijn er verschillende aanpassingen aan het objectief verdeelmodel gemaakt. Zo is voor het verdeelmodel 2017 de overstap gemaakt van steekproefdata naar een integrale dataset met gegevens van alle Nederlands huishoudens. Ook is destijds de toedeling van middelen aanmerkelijk verfijnd door de toevoeging van nieuwe verdeelkenmerken en het gebruik van verfijndere normbedragen. In de budgetverdeling voor 2019 is het verdeelmodel verder aangepast. In lijn met het advies van de ROB heeft SZW onderzocht in hoeverre er objectieve factoren zijn die verschillen in het gemiddeld uitgekeerd bedrag per gemeente verklaren. Verschillen kunnen bijvoorbeeld komen door gemeentelijke verschillen in het aanbod van deeltijdwerk, of de kans op een andere uitkering (zoals algemene nabestaandewet, pensioen, gedeeltelijke WW, ziektewet). Dit onderzoek heeft geleid tot toevoeging van een prijscomponent aan het model. De geldende normtarieven worden gecorrigeerd voor objectiveerbare verschillen in de gemiddeld betaalde uitkering. Dit zou er toe moeten leiden dat het model beter aansluit bij de gemeentelijke opgaven.